sábado, 26 de diciembre de 2015

AD ZUIDERENT [17.809] Poeta de Holanda


Ad Zuiderent

Ad Zuiderent (Nació en 's-Gravendeel, Holanda el veintiocho de mayo 1944) es un poeta holandés y crítico literario.

Estudió lengua holandesa y la literatura en la Universidad de Amsterdam.

A partir de 1969 comenzó a enseñar. Durante seis años fue profesor de holandés de la escuela integral cristiana Buitenveldert en Amsterdam. Entre 1976 y 1978 se entregó al análisis de la poesía para una formación holandesa en Amsterdam. De 1979 a 2009 trabajó como asistente de investigación en la Universidad Libre. Escribió revisiones para el diario Trouw y De Tijd y es editor de Crítica Literatura Lexicon.

OBRA:

Met de apocalyptische mocassins van Michel de Nostredame op reis door Nederland (gedichten, 1968)
De afstand tot de aarde (gedichten, 1974)
Geheugen voor landschap (gedichten, 1979)
Zeven Uren U (pastiches, 1982)
1 februari 1953 (bloemlezing, 1983)
Cycling, recycling (gedichten in het Engels, Duits, Tsjechisch en Servo-Kroatisch, 1984)
Natuurlijk evenwicht (gedichten, 1984)
Waar geen haven is (gedichten, 1987)
Op het droge (gedichten, 1988)
Een dartele geest, Aspecten van 'De chauffeur verveelt zich' en ander werk van Gerrit Krol (dissertatie, 1989)
Op de hoogte van Icarus (gedichten, 1993)
Ons klein en silwerige planeet (gedichten in het Nederlands en Afrikaans, 1997; samenstelling met Johann Lodewyk Marais)
Jij als geen ander (gedichten, 2000)
De tweede gisting, Over de compositie van dichtbundels (studies, 2001; samenstelling met Evert van der Starre)
Na de watersnood (bloemlezing, 2003)
Een rijke bron (over poëzie, 2004; samenstelling met Ena Jansen en Johan Koppenol)
De 100 beste gedichten van 2003 (bloemlezing, 2004)
Fietser naar niets (gedichten, 2004)
Gerrit Krol, Werken op het snijpunt (studies, 2007; samenstelling met Bart Vervaeck)
Energieke doelloosheid (proza, 2008)
Van Korreweg naar Korreweg, 75 plaatsen in het leven van Gerrit Krol (biografie, 2010)
We konden alle kanten op (gedichten, 2011)



GESTO DE ENTENDIMIENTO
 
Guárdame del mito, pero haz ademán de amor
juntando cabellos y manos a modo de consuelo.
 
Petrificada tengo la razón; he soñado
con esculturas de niños. Anímalas.
 
Es una vieja historia (¿de qué remoto país?)
que a un niño que echa a andar antes de tiempo
 
se le cortan las piernas justo por encima de las rodillas:
medio torso del que nace nueva vida,
 
en pequeños cuartos fundido con la alfombra,
aunado con el césped en jardines cerrados.
 
Todo por que haya paz en la familia,
y que no haga falta pegar hasta que parezca.
 
¿También tu sueño de educar es tan severo?
Entonces ven a verme, que yo no lo acabo de entender.
 
El suelo era mármol y el torso de piedra
(no logré atravesar años y años de razón).
 
Ven pues y tócame, por piedad con los objetos:
haz ademán de mito, esculpe en piedra mi nombre.
 
Ad Zuiderent (título original: Gebaar van verstandhouding; extraído de: Natuurlijk evenwicht [Equilibrio natural], 1984)
© Traducción española: Diego J. Puls (en colaboración con Carmen Bartolomé Corrochano), publicada en «Poesía contemporánea en lengua neerlandesa», Stichting Ons Erfdeel, Rekkem (Bélgica), 1993.



Wiens naam is geschreven in wat...

Gekken en dwazen, de dichters, de middenstand,
schrijven hun naam op de glazen, in wit, op een winkelpand.
Je loopt in het licht van de zon, ziet geen straat of huis, of
je leest er een naam, lettertypes, vegen in stof.
Alleen wat gelezen is leeft? De zon op de ruit
zet namen de winkel in, half over handel, uit
verlangen ontcijferaars binnen te krijgen. Maar wie die
de zon kent, kent niet de banen van stof die zij hangt
van het raam naar de grond, als omfloersing van wat men verlangt?
Licht maakt een raadsel van namen. Nog loop je op straat,
ziet etalages, graffiti, maar andermans dwaasheid laat
je koud. De nacht neemt je op; wat troost dan de wetenschap dat
het daglicht even liet zien wiens naam is geschreven in wat...




Herhalingsoefening

Thuis van de tocht en de verhalen komen los
van wat ze waren. Gevaarlijk oversteken van de weg
speelt nu geen rol. Wij dronken thee bij Koekenbier,
is daarin een verklaring? Melancholie van de
avondlijke fietstochten, zonder doel dan het bad na.
Want wie wij spraken en waarover, het laat
zich samenvatten in hoe iemand een kop thee
vasthield zoals ik bier drink: met volle hand
in plaats van enkel vingers. De hand als stuur,
de vingers voor het remmen. Wat vraag je toch?
Leidt dit de aandacht af? Paul had een nieuwe
derailleur, Jans zadel stond te hoog, zelf heb ik
even op Robs fiets gereden, gedacht hoe soepel
benen kunnen zijn als de fiets goed is.
Vanavond lag er langs de weg geen eeuwigheid;
de lucht, het landschap, ik heb er niets gezien.
Ik zal het wijzen als wij zaterdag een ritje
met de auto maken: het tunneltje bij Vinkeveen
is van beton, de dijk tussen Baambrugge en Abcoude
smal en krom, en misschien raken wij in het nieuwe
grint bij de Voetangel in dezelfde slip als ik.




Naar de eenzaamheid

Terug ging ik vanmorgen en alleen.
Daar zocht ik woorden voor: de Houtmankade,
de stilte rond de stapels blanke planken
en rijen schepen voor de binnenvaart.
Ik kende dit, wat had ik hier te zoeken?
De weg hield op, op zondag vaart geen pont.
Geuren van stadsrand, wind om in te blijven,
alsof de toekomst al verleden was.
Mijn droom houdt stand, zoals het pakhuis
dat groot van jaren naast het water staat.
Een woord wordt beeld, een tochtje weer emotie.
Zo kom ik nergens aan. Dus fietste ik terug.
 



Einde van het feest

je had geen hand meer over
om een hand te geven
en om een houding aan te nemen
zei je dat je me straks nog zag
waar wist ik niet
ik heb niet lang gewacht
soms proef ik de restanten van paté
soms vallen schalen uit een hand in gruis
soms hoor ik stemmen bezig bij de vaat
maar die van jou breng ik daar niet uit thuis





Een nieuw gezicht

Eerste gezicht, daar was je wel aan toe.
Een druppel ziel in klei, en jij verliefd.
Droog oog dat alles opneemt... alsjeblieft
je bril af, worden oog en hoofd niet moe.
Langer de dagen? Oog, je lijkt wel blind;
september maakt je ieder jaar van slag.
Wat valt te maken. Van de nacht een dag?
Verlangens worden in de man tot kind.
Kleitafel nog, waaraan je, smeltend hart,
de hand legt op wat strelend moest ontstaan.
Een nieuw gezicht dichtbij, geen woord ontgaan,
merkt wat je trillen doet, gebeurt in huis.





Nazireeër

Herfst rond je hoofd, al was je in de groei;
als storm aan bomen rukte de tondeuse.
Een vader sloeg zijn zuinigst mededogen
je haardos in: de scheiding bleef gespaard.
Als van een schaap dat voor het eerst geschoren
klonk je geblaat. Ging jij haast buiten westen
en zijn sigaar in as? Zo naar de filistijnen!
En als die jou verried nu maar Delila was.
Geslachtskenmerk - hij hield de scheiding recht;
je nek onder het mes, zo werd je man.
't Was winterstil toen hij zijn peuk opstak;
nooit zo nabij een zoon die Simson was.











No hay comentarios:

Publicar un comentario en la entrada